Wetsvoorstel aandelen met meervoudig stemrecht: meer ruimte voor ondernemers, nieuwe vragen voor beleggers

Wetsvoorstel aandelen met meervoudig stemrecht: meer ruimte voor ondernemers, nieuwe vragen voor beleggers

De Nederlandse wetgever werkt aan een wetsvoorstel dat aandelen met meervoudig stemrecht expliciet mogelijk maakt voor ondernemingen die een beursnotering op een multilaterale handelsfaciliteit (MTF) nastreven. Het voorstel vloeit voort uit een Europese richtlijn en heeft als doel om met name innovatieve groeibedrijven en familiebedrijven gemakkelijker toegang te geven tot de kapitaalmarkt zonder dat oprichters direct de controle over hun onderneming verliezen.

Wat zijn aandelen met meervoudig stemrecht?

Bij een traditionele aandelenstructuur geldt het principe: één aandeel, één stem. Bij aandelen met meervoudig stemrecht krijgen bepaalde aandelen echter meerdere stemmen per aandeel. Hierdoor kunnen oprichters of bestaande aandeelhouders een relatief groot deel van de zeggenschap behouden, ook wanneer zij economisch gezien een kleiner belang bezitten.

Dit model wordt internationaal al toegepast door diverse technologiebedrijven. De gedachte daarachter is dat ondernemers zich kunnen richten op langetermijnwaardecreatie zonder voortdurend onder druk te staan van kortetermijnbelangen van nieuwe aandeelhouders.

Waarom komt dit wetsvoorstel er?

Het wetsvoorstel implementeert de Europese Richtlijn (EU) 2024/2810, die onderdeel is van de zogeheten Listing Act. De Europese wetgever wil hiermee beursnoteringen aantrekkelijker maken voor met name mkb-bedrijven en scale-ups. Een veelgehoorde reden waarom ondernemers afzien van een beursgang is de angst om de controle over hun onderneming te verliezen. Het toestaan van aandelen met meervoudig stemrecht moet die drempel verlagen.

Volgens de richtlijn moeten lidstaten:

  • aandelenstructuren met meervoudig stemrecht mogelijk maken voor ondernemingen die een MTF-notering zoeken;
  • waarborgen invoeren voor minderheidsaandeelhouders;
  • extra transparantieverplichtingen opleggen aan ondernemingen die van deze structuur gebruikmaken.

Wat verandert er in Nederland?

Nederland kent al diverse mogelijkheden om zeggenschap anders vorm te geven, bijvoorbeeld via verschillende soorten aandelen of certificering. Toch introduceert het wetsvoorstel een specifieke wettelijke regeling die aansluit bij de Europese richtlijn. Hiervoor worden zowel Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek als de Wet op het financieel toezicht aangepast.

Het wetsvoorstel richt zich specifiek op ondernemingen die toegang zoeken tot een multilaterale handelsfaciliteit, zoals Euronext Growth. Voor deze ondernemingen wordt het eenvoudiger om een formele structuur met meervoudig stemrecht in te voeren.

Wat verandert er concreet in de Nederlandse wet? Het wetsvoorstel voegt twee nieuwe artikelen toe aan Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek:

  • Artikel 2:118b BW voor de naamloze vennootschap (N.V.)
  • Artikel 2:228a BW voor de besloten vennootschap (B.V.)

Bescherming van minderheidsaandeelhouders

Een belangrijk discussiepunt is de positie van beleggers die gewone aandelen bezitten. Wanneer een oprichter dankzij meervoudig stemrecht een dominante stempositie behoudt, kan dat leiden tot een scheiding tussen economisch belang en zeggenschap.

Daarom bevat de Europese richtlijn verschillende beschermingsmaatregelen. Daarnaast moeten ondernemingen duidelijk communiceren over hun stemrechtstructuur zodat beleggers goed kunnen beoordelen waarin zij investeren.

Belangenorganisatie Eumedion heeft tijdens de consultatie kritiek geuit op het voorstel. Volgens Eumedion zouden vergelijkbare waarborgen moeten gelden voor alle constructies die afwijken van het principe van “one share, one vote”.

Kritiek uit de praktijk

Niet iedereen ziet een dringende noodzaak voor nieuwe regelgeving. De Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht stelde tijdens de consultatiefase dat Nederland al beschikt over flexibele mogelijkheden om meervoudig stemrecht vorm te geven. Volgens de commissie is niet direct duidelijk welk extra voordeel de nieuwe wettelijke faciliteit biedt boven de bestaande praktijk.

Tegelijkertijd erkennen veel deskundigen dat Nederland als EU-lidstaat verplicht is de richtlijn te implementeren. De discussie gaat daarom vooral over de vraag hoe beperkt of uitgebreid die implementatie moet zijn.

Stand van zaken

Na de internetconsultatie in 2025 heeft het wetsvoorstel verschillende adviestrajecten doorlopen. De Raad van State heeft geen inhoudelijke bezwaren geuit tegen het voorstel. Inmiddels is het wetsvoorstel als Kamerstuk 36961 bij de Tweede Kamer ingediend en bevindt het zich in de parlementaire behandeling.

Conclusie

Het wetsvoorstel aandelen met meervoudig stemrecht past binnen een bredere Europese strategie om ondernemingen gemakkelijker toegang te geven tot publiek kapitaal. Voor oprichters en familiebedrijven kan de regeling aantrekkelijk zijn omdat zij na een beursgang meer zeggenschap behouden. Voor beleggers roept het voorstel echter vragen op over invloed, transparantie en de bescherming van minderheidsaandeelhouders.

De komende parlementaire behandeling zal moeten uitwijzen of Nederland kiest voor een beperkte implementatie van de Europese regels of ruimte laat voor een bredere toepassing van meervoudig stemrecht. Wat vaststaat, is dat de discussie over de balans tussen ondernemerschap en aandeelhoudersdemocratie voorlopig nog niet is afgerond.

 

De Wet Digitale algemene vergadering: naar een volledig digitale toekomst voor rechtspersonen?

De Wet Digitale algemene vergadering: naar een volledig digitale toekomst voor rechtspersonen?

In een tijdperk waarin digitalisering ons dagelijks leven steeds meer bepaalt, is het geen verrassing dat ook de wetgeving mee-evolueert. Op 16 december 2025 nam de Tweede Kamer met algemene stemmen het gewijzigde wetsvoorstel aan voor de Wet digitale algemene vergadering privaatrechtelijke rechtspersonen. Dit voorstel, met kamernummer 36.489, wijzigt Boek 2 en Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, evenals enkele andere wetten, om de regels voor digitale algemene vergaderingen van rechtspersonen aan te passen. Het doel? Het faciliteren van volledig digitale vergaderingen en het vereenvoudigen van digitale oproepingen, terwijl de kernwaarden van participatie en democratie behouden blijven. Onder het huidige recht dient een AvA fysiek plaats te vinden.

Als we kijken naar de huidige status – we schrijven februari 2026 – ligt het wetsvoorstel nu bij de Eerste Kamer. De commissie voor Justitie en Veiligheid heeft op 27 januari 2026 input geleverd, en het uitgaande verslag staat gepland voor 3 februari 2026. De verwachting is dat het voorstel begin 2026 wordt behandeld, met een mogelijke inwerkingtreding per 1 juli 2026, in lijn met vaste verandermomenten. Laten we dieper duiken in wat dit wetsvoorstel precies inhoudt, waarom het er komt en wat het betekent voor bedrijven en organisaties.

Achtergrond: Van tijdelijke noodzaak naar een permanente oplossing

Tijdens de coronapandemie bleek hoe waardevol digitale tools kunnen zijn voor besluitvorming. Tijdelijke wetgeving maakte volledig digitale algemene vergaderingen (AVA’s) mogelijk, maar die regeling liep af zonder verlenging. Nu, met dit nieuwe wetsvoorstel, wordt een permanente basis gelegd. Het idee is om ondernemers, maatschappelijke organisaties, leden en aandeelhouders te laten profiteren van moderne elektronische communicatiemiddelen. Het houdt het Nederlandse rechtspersonenrecht flexibel en up-to-date, zonder de fysieke vergadering te verbieden.

Privaatrechtelijke rechtspersonen – denk aan naamloze vennootschappen (NV’s), besloten vennootschappen (BV’s), verenigingen (inclusief VvE’s), coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen – krijgen meer opties. Het uitgangspunt blijft een fysieke vergadering, maar hybride en volledig digitale vormen worden genormeerd.

Wat verandert er precies?

Het wetsvoorstel introduceert een optionele regeling voor volledig digitale AVA’s, met duidelijke randvoorwaarden voor zowel hybride als digitale varianten. Belangrijke wijzigingen zijn:

  • Volledig digitaal mogelijk met statutaire basis: Voor de meeste rechtspersonen (behalve verenigingen) is een basis in de statuten nodig om een volledig digitale vergadering te houden. Dit zorgt voor het benodigde draagvlak onder deelnemers. Voor verenigingen is dit niet verplicht, wat hun flexibiliteit behoudt.
  • Noodbepaling voor NV’s en BV’s: In uitzonderlijke omstandigheden – zoals wanneer de continuïteit van besluitvorming of de veiligheid/gezondheid van deelnemers in gevaar komt – kan een digitale AVA zonder statutaire basis worden gehouden. Dit is een amendement dat flexibiliteit biedt in crisissituaties.
  • Uitzondering voor beursgenoteerde bedrijven: De jaarlijkse vergadering waar de jaarrekening wordt vastgesteld, mag niet volledig digitaal zijn. Dit beschermt de transparantie en interactie bij belangrijke besluiten.
  • Voorwaarden voor digitale deelname: Een digitale vergadering moet zoveel mogelijk lijken op een fysieke. Deelnemers moeten de vergadering live kunnen volgen met beeld en geluid, zich identificeren, stemmen en vragen stellen via tweezijdige communicatie. Er gelden extra normen voor informatievoorziening om inclusiviteit te waarborgen.
  • Digitale oproepingen vereenvoudigd: De regels voor het oproepen van vergaderingen worden aangepast, zodat elektronische middelen makkelijker kunnen worden gebruikt, zonder onnodige fysieke verzending.

Deze veranderingen bouwen voort op ervaringen uit de pandemie en zorgen voor een balans tussen innovatie en bescherming van rechten.

Voordelen en mogelijke uitdagingen

De voordelen liggen voor de hand: geen reistijd, lagere kosten, grotere toegankelijkheid voor internationale deelnemers en meer efficiëntie. Vooral voor grote organisaties of die met verspreide leden/aandeelhouders is dit een gamechanger. Het stimuleert ook duurzaamheid door minder reizen.

Toch zijn er uitdagingen. Niet iedereen heeft toegang tot stabiele internetverbindingen of digitale vaardigheden, wat een ‘digital divide’ kan creëren. Veiligheid is cruciaal: hoe voorkom je hacks of identiteitsfraude? Het wetsvoorstel adresseert dit met eisen aan identificatie en communicatie, maar praktijk zal uitwijzen hoe robuust dit is.

Vooruitblik: wanneer wordt het realiteit?

Met de behandeling in de Eerste Kamer op komst, lijkt de wet op weg naar de benodigde goedkeuring. Zodra ingevoerd, zullen statuten moeten worden aangepast voor wie digitaal wil gaan. Voor bestaande organisaties geldt er overgangsrecht om soepel over te stappen.

Deze wet markeert een moderne stap in het Nederlandse vennootschapsrecht, passend bij een digitale samenleving. Of je nu bestuurder bent van een BV of lid van een VvE: houd de ontwikkelingen in de gaten. Digitale vergaderingen zijn niet langer een uitzondering, maar een optie voor de toekomst.

Wanneer een vennootschap ten onder gaat door familieconflict: € 656.000 billijke verhoging ondanks nihil-waarde aldus de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam

Wanneer een vennootschap ten onder gaat door familieconflict: € 656.000 billijke verhoging ondanks nihil-waarde aldus de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam

 

Uittreding bij i3 Holding – OK 9 december 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3286

 

De Ondernemingskamer heeft op 9 december 2025 een beschikking gewezen die weer eens illustreert hoe krachtig art. 2:343 lid 3 BW (billijke verhoging) kan zijn wanneer wanbeleid en/of post-wanbeleid-gedrag een vennootschap volledig heeft uitgehold. Uitgaande van een onderneming met waarde nihil komt de OK tot een “verrassend” arrest.

 

Feiten in vogelvlucht

 

i3 Holding was (via dochter i3 Nederland) actief in ICT-dienstverlening. De gewone aandelen zaten bij de familieholding (Tricomstate c.s. / [vader]), de cumulatief preferente aandelen waren gelijk verdeeld over drie partijen: Petrias ([vader]), Vanestate en Dolbeco.

Na een langdurig enquêtegeschil oordeelde de OK in april 2023 (ECLI:NL:GHAMS:2023:844) dat sprake was van wanbeleid waarvoor Petrias ([vader]) verantwoordelijk was. Er volgden ontslag van de bestuurder, benoeming van een tijdelijke OK-bestuurder en OK-beheerder van aandelen, en vernietiging van diverse (te hoge) managementvergoedingen.

Wat daarna gebeurde is – helaas – een klassiek escalerend familie-/machtsconflict:

  • Veel procedures en (conservatoire/executoriale) beslagen door [zoon] (via Bobeas) en [vader] (via Petrias)
  • Liquiditeitsvernietiging door die acties
  • Geen financiering van de aandeelhouders die het conflict veroorzaakten
  • Noodgedwongen versneld verkooptraject → verkoop dochter i3 Nederland begin 2024 voor een zeer laag bedrag (ca. € 150.000–300.000 + verkoperslening)
  • i3 Holding drijft sindsdien geen onderneming meer en is technisch failliet (enkele duizenden euro’s activa vs. forse schulden)

 

Uittredingsverzoek Vanestate + Dolbeco

 

Beide cumpref-aandeelhouders verzochten in juni 2025 uittreding (art. 2:343 BW e.v.). De OK oordeelt – kort samengevat – als volgt:

 

  1. Toewijzing uittreding

    Door de gedragingen van Petrias ([vader]) en – aan hem toe te rekenen – Bobeas ([zoon]) zijn Vanestate en Dolbeco zodanig in hun rechten en belangen geschaad dat zij in redelijkheid geen aandeelhouder hoeven te blijven.→ Ook na benoeming OK-bestuurder / OK-beheerder bleef het destructieve gedrag doorgaan.

 

  1. Waarde op peildatum (9 december 2025) = nihil

    Alle partijen zijn het daarover eens (ook Petrias c.s. heeft niet betoogd dat er nog reële waarde zit in de lopende herstelprocedure van € ~2,5 mln).
  2. Geen historische peildatum

    Verzoeksters wilden primair terug naar 31-3-2017 (€ 7,2 mln) of 31-3-2022 (€ 3,2–5,1 mln midpoint € 4 mln). De OK wijst dat af: te veel onafhankelijke waardeverminderingen (verlies Belastingdienst als grote klant, tegenvallende healthcare-strategie, Covid-nawerking, etc.).
  3. Wel billijke verhoging (art. 2:343 lid 3 BW)

    De OK neemt wél post-tweedefase-gedrag (2023–2024) mee:
  • Veel procedures + beslagen → liquiditeitscrisis
  • Geen financiering aangeboden
  • Eigenmachtige betalingen buiten OK-bestuurder om
  • Frustreren verkoopproces
  • Streven naar eigen belang / mogelijke overname via faillissement→ Dit alles heeft de vennootschap “ten gronde gericht”, aldus de OK.

De OK sluit aan bij de Cash Flow to Equity-waardering per 31-3-2021 (BFI-rapport in opdracht OK-bestuurder): cumpref-aandelen gewaardeerd op € 984.000 per partij (midpoint).
Rekening houdend met latere, niet-toerekenbare waardeverminderingen (markt / strategie) stelt de OK de billijke verhoging schattenderwijs op 1/3 lager, namelijk € 656.000 per cumpref-pakket.

 

Slotsom beschikking

 

Petrias moet beide cumpref-pakketten overnemen voor € 656.000 per pakket + wettelijke rente vanaf 9-12-2025.

Petrias en [vader] worden hoofdelijk in de proceskosten veroordeeld.

 

Enkele leerpunten uit de beschikking

 

  • Billijke verhoging is géén volledige schadevergoeding → separate procedure mogelijk
  • Post-enquête-gedrag (procederen, beslagen, frustreren verkoop) weegt zwaar bij art. 2:343 lid 3
  • Toerekening gedrag [zoon]/Bobeas aan [vader]/Petrias vanwege nauwe verbondenheid + gezamenlijk optrekken
  • Nihil-waarde op peildatum hoeft géén € 0-uitkomst te betekenen als er toerekenbare waardevermindering is!!
  • Aansluiten bij eerdere onafhankelijke waardering (BFI/OK-bestuurder) is bruikbaar kompas

 

Tot slot

Deze beschikking laat zien dat de wettelijke geschillenregeling zoals opgenomen in Boek 2 BW (zeker na de wijzigingen per 1 januari 2025) de OK veel ruimte geeft om maatwerk te leveren wanneer een conflict een vennootschap “volledig kapot heeft gemaakt”. Voor minderheidsaandeelhouders die langdurig worden uitgeknepen of wier vennootschap door toedoen van de (meerderheids)partij ten onder gaat, biedt art. 2:343 lid 3 BW een effectief – en soms verrassend fors – correctiemechanisme.

De Nexperia-Uitspraak: Een ingrijpende beslissing met gevolgen voor het Nederlandse investeringsklimaat

De Nexperia-Uitspraak: Een ingrijpende beslissing met gevolgen voor het Nederlandse investeringsklimaat

In een opvallende uitspraak heeft de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam op 1 oktober 2025 ingegrepen bij chipfabrikant Nexperia, een bedrijf dat cruciaal is voor de Nederlandse en Europese semiconductorindustrie. Deze zaak, die draait om belangenverstrengeling en mismanagement door de Chinese CEO Zhang Xuezheng (bijnaam “Wing”), heeft niet alleen geleid tot de schorsing van de topman, maar ook tot een exportverbod vanuit China. Terwijl de Nederlandse overheid haar interventie rechtvaardigt als bescherming van nationale belangen, roept het vragen op over het investeringsklimaat in Nederland. In deze blog duik ik in de details van de uitspraak, met extra aandacht voor de juridische aspecten en de rol van de Ondernemingskamer, en voeg ik kritische kanttekeningen toe over de bredere implicaties.

Achtergrond van de zaak

Nexperia, voorheen onderdeel van Philips en nu eigendom van het Chinese Wingtech, is een belangrijke speler in de productie van halfgeleiders, met fabrieken in Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland. Het bedrijf levert chips aan sectoren zoals de auto-industrie en consumentenelektronica. De problemen begonnen toen interne bestuurders alarm sloegen over het handelen van CEO Zhang Xuezheng. Volgens de Ondernemingskamer bestond er gegronde reden om te twijfelen aan een juist beleid, met name door belangenverstrengeling.

Zhang zou Nexperia hebben gedwongen om voor ruim 200 miljoen dollar aan wafers (halffabricaten voor chips) te bestellen bij zijn eigen zusterbedrijf WingSkySemi in Shanghai, dat in financiële nood verkeerde. Dit terwijl de werkelijke behoefte van Nexperia minder dan de helft bedroeg. Toen Europese bestuurders hiertegen protesteerden, trok Zhang hun bankrechten in, ontsloeg hij drie financiële topmannen inclusief de CFO, en probeerde hij ze te vervangen door onervaren figuren. Zelfs de Chief Legal Officer werd ontslagen nadat hij schriftelijk bezwaar had gemaakt.

Dit leidde tot een petitie bij de Ondernemingskamer, ingediend door de Europese bestuurders zelf. De Nederlandse minister van Economische Zaken, Vincent Karremans, greep in op basis van de Wet Beschikbaarheid Goederen (Wbg), een zelden gebruikte wet uit 1952 om kritische goederen en kennis te beschermen. De Ondernemingskamer schorste Zhang, bevroor de corporate governance en stelde tijdelijke beheerders aan om het bedrijf te stabiliseren.

Als reactie legde de Chinese regering een exportverbod op aan Nexperia’s Chinese eenheden, wat de levering van componenten blokkeert en de mondiale auto-industrie in de problemen brengt. Dit verbod is gebaseerd op “onjuiste aannames”, volgens de Nederlandse minister, maar het onderstreept de geopolitieke spanningen.

De juridische kant van de zaak en de rol van de Ondernemingskamer

Om dieper in te gaan op de juridische aspecten, is het essentieel om de rol van de Ondernemingskamer te begrijpen. De Ondernemingskamer is een speciale afdeling van het Gerechtshof Amsterdam die exclusief bevoegd is in bepaalde ondernemingsrechtelijke zaken, zoals enquêteprocedures naar het beleid van vennootschappen, jaarrekeninggeschillen en gedwongen overdracht van aandelen. Ze bestaat uit vijf leden: drie juridisch geschoolde raadsheren en twee raden met expertise in bijvoorbeeld economie of accountancy, wat een bredere beoordeling mogelijk maakt dan bij reguliere rechtszaken.

In de Nexperia-zaak speelde de Ondernemingskamer een cruciale rol door in te grijpen via een spoedprocedure, bekend als een verzoek tot onmiddellijke voorzieningen in het kader van een enquêteprocedure (artikel 2:349 e.v. BW). Europese medebestuurders dienden een verzoek in om Wing te schorsen als bestuurder, een onafhankelijke bestuurder te benoemen en de aandelen van Wingtech tijdelijk over te dragen aan een beheerder. De kamer kende dit verzoek ex parte toe – dat wil zeggen, zonder voorafgaand horen van de tegenpartij – om dreigende bedrijfsstilstand te voorkomen en de continuïteit te waarborgen.

De juridische redenering draaide om “gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid” (artikel 2:350 BW). De Ondernemingskamer oordeelde dat Wing’s handelen – zoals het plaatsen van onnodige orders bij zijn eigen bedrijf om verliezen te compenseren, en het niet nakomen van toezeggingen over een raad van commissarissen – duidde op belangenverstrengeling en gebrekkige governance. Dit rechtvaardigde verregaande maatregelen, ondanks mogelijke schending van het recht op hoor en wederhoor of eigendomsrechten (artikel 1 Eerste Protocol EVRM), omdat de urgentie prevaleerde.

Aanvankelijk legde de kamer een verbod op mededelingen over de procedure op, maar dit werd later opgeheven nadat Wingtech de zaak zelf publiek maakte. De procedure is nog niet afgerond: een volledig enquêterapport moet volgen, waarna een tweede fase kan leiden tot vaststelling van wanbeleid en definitieve maatregelen, zoals ontslag van bestuurders. Dit illustreert de ruime bevoegdheden van de Ondernemingskamer in crisissituaties, vooral wanneer nationale belangen zoals strategische chipproductie op het spel staan.

De interventie van de minister via de Wbg vormt een parallel spoor: dit is de eerste keer dat deze wet wordt gebruikt voor een privaat bedrijf om kennisoverdracht te blokkeren, wat de zaak uniek maakt door de combinatie van bestuursrechtelijk en ondernemingsrechtelijk ingrijpen.

Kritische kanttekeningen voor het investeringsklimaat in Nederland

Hoewel de uitspraak juridisch stevig onderbouwd lijkt, roept ze serieuze vragen op over het Nederlandse investeringsklimaat. Nederland heeft zich altijd geprofileerd als een open economie, aantrekkelijk voor buitenlandse investeerders door stabiele regelgeving en minimale overheidsbemoeienis. Maar deze zaak toont een verschuiving naar meer protectionisme, vooral in kritische sectoren zoals semiconductors.

Positieve aspecten

De interventie beschermt nationale en Europese belangen. Nederland is in het verleden “naïef” geweest met Chinese investeringen, zoals bij ASML en andere techbedrijven, waar kennislekken een risico vormen. Door in te grijpen voorkomt de overheid dat vitale technologie naar China vloeit, wat de Europese onafhankelijkheid versterkt. Dit past in bredere EU-beleid om supply chains te beveiligen te midden van de US-China chipoorlog.

 

Negatieve kanttekeningen

Echter, de ingreep kan buitenlandse investeerders afschrikken. China ziet dit als “politieke discriminatie” en reageerde met een exportban, wat Nexperia’s operaties lamlegt en de auto-industrie treft – denk aan fabrikanten als Volkswagen en Tesla die afhankelijk zijn van Nexperia’s chips. Dit “Nexperia-effect” zou bredere economische repercussies kunnen hebben, zoals hogere prijzen en vertragingen in de supply chain.

Bovendien onderstreept het de kwetsbaarheid van Nederland in de geopolitieke arena. Door zich te mengen in een privébedrijf, riskeert de overheid diplomatieke spanningen met China, dat al exportbeperkingen oplegt aan ASML. Critici wijzen erop dat dit het imago van Nederland als betrouwbare investeringshub schaadt: investeerders uit Azië of elders kunnen denken dat hun autonomie beperkt wordt door overheidsingrijpen, zelfs bij interne conflicten. Is dit een eenmalige “hoogst uitzonderlijke” maatregel, of het begin van een trend? Als het laatste, zou het innovatie en groei kunnen remmen in een land dat afhankelijk is van buitenlands kapitaal.

Uit discussies op X blijkt dat velen de interventie zien als gerechtvaardigd door misconduct, maar waarschuwen voor de bredere fallout. Het evenwicht tussen bescherming en openheid is fragiel, en deze zaak legt bloot hoe Nederland dieper in de US-China chipoorlog wordt getrokken.

Conclusie

De Nexperia-uitspraak is een mijlpaal in de Nederlandse corporate governance en nationale veiligheid, met de Ondernemingskamer als sleutelspeler in het afdwingen van accountability. Het toont dat de overheid bereid is in te grijpen om misstanden te stoppen, maar tegen welke prijs? Voor het investeringsklimaat is dit een wake-up call: Nederland moet duidelijker beleid ontwikkelen om buitenlandse investeringen te verwelkomen zonder naïef te zijn over risico’s. Anders riskeren we isolatie in een globaliserende wereld.

Chat Control: waarom de EU dreigt te ontsporen in massale surveillance

Chat Control: waarom de EU dreigt te ontsporen in massale surveillance

 

De Europese Unie staat op het punt een nieuwe wet aan te nemen die bekendstaat als de Chat Control-regeling (officieel: Regulation to Prevent and Combat Child Sexual Abuse). Het doel is legitiem: het bestrijden van online kindermisbruikmateriaal (CSAM). Het middel is echter buitengewoon omstreden: aanbieders van communicatiediensten zouden verplicht worden om berichten, afbeeldingen en bestanden van hun gebruikers te scannen en verdachte inhoud te rapporteren aan autoriteiten.

 

Achter dit nobele doel gaat een ingrijpende juridische werkelijkheid schuil: een dreigende structurele aantasting van het fundamentele recht op privacy, communicatievrijheid en gegevensbescherming voor alle burgers in de EU.

 

Een strijd met grondrechten

 

De EU-Grondrechtenhandvest waarborgt in artikel 7 en 8 het recht op privéleven, vertrouwelijkheid van communicatie en bescherming van persoonsgegevens. Ook het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (artikel 8 EVRM) beschermt deze kernrechten. Iedere beperking daarvan moet voldoen aan drie zware eisen: een duidelijke wettelijke basis, noodzakelijkheid en proportionaliteit.

 

Het huidige voorstel balanceert op de rand van deze criteria. Immers, door berichten preventief en automatisch te scannen, ook zonder concrete verdenking, gaat de EU feitelijk richting algemene surveillance van alle burgers. Het Hof van Justitie van de EU (CJEU) heeft in meerdere arresten over bewaarplicht en bulkdataopslag geoordeeld dat ongerichte, algemene maatregelen nauwelijks te verenigen zijn met grondrechten.[*1]

 

Proportionaliteit onder druk

 

De proportionaliteitstoets dwingt de vraag: is deze maatregel echt noodzakelijk en is er geen minder ingrijpend alternatief?

Critici, waaronder de Europese Toezichthouder voor Gegevensbescherming (EDPS) en de Europese Raad voor Gegevensbescherming (EDPB), betogen dat dit niet het geval is. Zij stellen dat het voorstel niet alleen disproportioneel is, maar ook onverenigbaar met de beginselen van de GDPR en de e-Privacyrichtlijn, die juist dataminimalisatie en doelbinding eisen.[*2]

 

Client-side scanning: een juridisch mijnenveld

 

Een van de meest besproken opties is client-side scanning: het automatisch controleren van berichten en afbeeldingen op de telefoon of computer van de gebruiker zelf vóórdat deze worden versleuteld en verstuurd. Juridisch gezien betekent dit dat de staat zich toegang verschaft tot de meest intieme communicatiemiddelen, zonder rechterlijke toetsing of individuele verdenking.

 

De risico’s zijn evident:

 

  • Foutpositieven kunnen leiden tot onterechte onderzoeken en reputatieschade.
  • Verzwakking van encryptie treft niet alleen criminelen, maar ook journalisten, advocaten, artsen en burgers die hun communicatie veilig moeten houden.
  • Function creep ligt op de loer: wat nu voor CSAM wordt gebouwd, kan later worden ingezet tegen terrorisme, fraude of zelfs politieke dissidentie.

 

Detection orders: een sluipende machtsverschuiving

 

Het voorstel introduceert het instrument van zogeheten detection orders, waarmee nationale autoriteiten aanbieders kunnen verplichten tot het inzetten van detectiemechanismen. Hoewel in theorie alleen in “specifieke gevallen” opgelegd, vrezen juristen dat de praktijk dit zal verbreden tot structurele verplichtingen.

 

Belangrijk detail: de rol van de rechterlijke macht bij het afgeven en controleren van dergelijke bevelen is vaag omschreven. Daarmee dreigt een verschuiving van macht naar de uitvoerende autoriteiten, zonder de noodzakelijke checks and balances die de rechtsstaat vereisen.[*3]

 

Encryptie als mensenrechtenkwestie

 

Encryptie is niet slechts een technisch detail, maar een voorwaarde voor de uitoefening van fundamentele rechten. Van online bankieren tot medische communicatie en politieke organisatie: encryptie beschermt burgers tegen cybercriminaliteit én overheidsmisbruik.

 

Een maatregel die encryptie structureel ondermijnt, kan daarom niet zomaar gelegitimeerd worden met het argument van kinderbescherming. Het CJEU en ook de VN hebben meermaals benadrukt dat beperkingen op beveiligingsmaatregelen alleen geoorloofd zijn als zij strikt noodzakelijk, proportioneel en effectief zijn.[*4]

 

Scope creep: van uitzondering naar regel

 

De geschiedenis leert dat surveillance-instrumenten zelden beperkt blijven tot hun oorspronkelijke doel. Denk aan antiterrorismewetgeving die later ook bij belastingfraude of georganiseerde misdaad werd ingezet. Ook bij Chat Control is het gevaar groot dat een infrastructuur voor massasurveillance eenmaal ingevoerd, nooit meer verdwijnt. En wat gebeurd er met vertrouwelijke chats tussen een advocaat en zijn client?

 

Juridisch gezien zouden daarom harde waarborgen moeten worden ingebouwd:

 

  • Sunset-clausules (automatisch verval na een beperkte looptijd).
  • Strikte evaluatieplicht door onafhankelijke toezichthouders.
  • Transparantie en rapportage over het aantal opgelegde detection orders.

 

Deze mechanismen ontbreken grotendeels in het huidige voorstel.[*5]

 

Zijn er juridische alternatieven?

 

Het bestrijden van online kindermisbruik vereist daadkracht, maar er zijn ook privacy vriendelijke alternatieven:

 

  • Gericht opsporingsonderzoek op basis van rechterlijke bevelen.
  • Internationale samenwerking en investering in opsporingscapaciteit.
  • Detectie van bekend CSAM-materiaal via hash-databanken, mits strikt gereguleerd en transparant.
  • Verplichte privacy impact assessments en onafhankelijke audits bij elke nieuwe technologie.

 

Deze instrumenten kunnen bijdragen aan de bestrijding van kindermisbruik zonder dat de EU in één klap de vertrouwelijkheid van alle digitale communicatie opoffert.

 

Conclusie: rechtsstaat vóór paniekwetgeving

 

Niemand betwist het belang van de strijd tegen kindermisbruik. Maar de rechtsstaat mag geen slachtoffer worden van politieke haast en morele paniek. Chat Control in de huidige vorm is een juridisch hellend vlak richting algemene surveillance, in strijd met bestaande EU-jurisprudentie en fundamentele rechten.

 

Het is aan het Europees Parlement en de Raad om deze wet ofwel drastisch aan te passen, ofwel in de huidige vorm resoluut te verwerpen. De bescherming van kinderen vereist krachtige maatregelen — maar niet ten koste van de bescherming van álle burgers.

 

Bronnen

 

[*1]: HvJ EU, Digital Rights Ireland (C-293/12), Tele2 Sverige (C-203/15).

[*2]: Gezamenlijke opinie EDPB/EDPS inzake het voorstel voor een verordening ter bestrijding van seksueel kindermisbruik (2022).

[*3]: Zie analyse van de Europese Raad (Raadsdocumenten Chat Control, 2023).

[*4]: VN-Rapporteur voor vrijheid van meningsuiting, Encryption and Human Rights (2015).

[*5]: Statewatch & EDRi, Analysis of the CSA Regulation (2023).

Aanpassingen in de wetgeving rond turboliquidaties: voor- en nadelen ten opzichte van “gewone” ontbindingen

Aanpassingen in de wetgeving rond turboliquidaties: voor- en nadelen ten opzichte van “gewone” ontbindingen

 

Inleiding

De turboliquidatie is een snelle en efficiënte manier om een rechtspersoon, zoals een besloten vennootschap (BV), naamloze vennootschap (NV), stichting of vereniging, te ontbinden wanneer deze geen baten meer heeft. Met de inwerkingtreding van de “Tijdelijke Wet Transparantie Turboliquidatie” op 15 november 2023 zijn er belangrijke wijzigingen doorgevoerd in de regelgeving. Deze aanpassingen beogen misbruik te voorkomen en schuldeisers beter te beschermen, maar brengen ook nieuwe verplichtingen met zich mee. In dit artikel bespreek ik de recente wetswijzigingen, de voor- en nadelen van turboliquidaties ten opzichte van gewone ontbindingen, en de praktische implicaties voor ondernemers en bestuurders.

 

Wat is een turboliquidatie?

 

Een turboliquidatie, geregeld in artikel 2:19 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW), maakt het mogelijk om een rechtspersoon direct te ontbinden zonder de formele vereffeningsprocedure die bij een gewone liquidatie vereist is. Dit kan alleen als de rechtspersoon op het moment van ontbinding “geen baten” meer heeft, zoals liquide middelen, vastgoed, inventaris, voorraden of vorderingen. Het proces wordt gestart met een ontbindingsbesluit van de algemene vergadering van aandeelhouders (AvA) of, in het geval van een stichting, het bestuur. Na registratie bij de Kamer van Koophandel (KvK) houdt de rechtspersoon per direct op te bestaan.

 

In tegenstelling tot een gewone liquidatie, waarbij baten worden omgezet in geld, schulden worden voldaan en een vereffenaar het vermogen verdeelt, slaat de turboliquidatie de vereffeningsfase volledig over. Dit maakt het proces sneller en goedkoper, maar ook vatbaarder voor misbruik, bijvoorbeeld wanneer bestuurders activa bewust laten verdwijnen om schuldeisers te benadelen.

 

Recente Wetswijzigingen: Tijdelijke Wet Transparantie Turboliquidatie

 

De Tijdelijke Wet Transparantie Turboliquidatie, die geldt voor een initiële periode van twee jaar (met mogelijkheid tot verlenging), introduceert strengere regels om de transparantie te vergroten en schuldeisers beter te beschermen. De belangrijkste wijzigingen zijn:

 

“Deponeringsverplichtingen”: Binnen 14 dagen na ontbinding moet het bestuur de volgende documenten deponeren bij het Handelsregister:

  • Een balans en staat van baten en lasten over het ontbindingsjaar en, indien nog niet gepubliceerd, het voorgaande boekjaar;
  • Een toelichting op de oorzaak van het ontbreken van baten;
  • Een beschrijving van de manier waarop eventuele baten voorafgaand aan de ontbinding zijn verdeeld en waarom bepaalde schuldeisers onbetaald zijn gebleven;

“Bekendmakingsplicht”: Het bestuur moet schuldeisers schriftelijk informeren over de turboliquidatie en de gedeponeerde documenten, zodat zij inzicht krijgen in de financiële afwikkeling;

Sancties bij niet-naleving: Niet voldoen aan de nieuwe verplichtingen kan leiden tot:

  • Een boete van maximaal €22.500 of zes maanden hechtenis;
  • Een civielrechtelijk bestuursverbod, vooral als bestuurders bewust schuldeisers benadelen of herhaaldelijk betrokken zijn bij onjuiste turboliquidaties;

Bestuursverbod bij misbruik: De rechtbank kan een bestuursverbod opleggen als:

  • Het bestuur niet voldoet aan de deponeringsverplichtingen;
  • Bestuurders opzettelijk handelingen verrichten of nalaten die schuldeisers benadelen, zoals selectieve betalingen;
  • Een bestuurder in de voorgaande twee jaar betrokken was bij meerdere turboliquidaties waarbij schuldeisers onbetaald bleven en hem/haar een persoonlijk verwijt treft.

 

Deze wijzigingen zijn ingegeven door zorgen over misbruik, vooral na een verwachte toename van turboliquidaties als gevolg van de economische nasleep van de COVID-19-pandemie. In 2022 werd meer dan 90% van de circa 50.000 bedrijfsbeëindigingen in Nederland uitgevoerd via turboliquidatie, wat de urgentie van betere rechtsbescherming voor schuldeisers onderstreept.

 

Voordelen van een turboliquidatie ten opzichte van een gewone ontbinding:

Snelheid: Een turboliquidatie is aanzienlijk sneller. Na het ontbindingsbesluit houdt de rechtspersoon direct op te bestaan, terwijl een gewone liquidatie maanden kan duren door de vereffeningsprocedure, publicatie in een dagblad, en een wachtperiode voor schuldeisers om bezwaar te maken;

Lagere kosten: Omdat er geen vereffenaar hoeft te worden aangesteld en geen advertenties of akten van non-verzet vereist zijn, zijn de kosten van een turboliquidatie veel lager, terwijl een gewone liquidatie aanzienlijk duurder kan zijn door juridische en administratieve verplichtingen. Uiteraard hangt een en ander mede af van de complexiteit van de te liquideren onderneming (personeel, contracten, etc.);

Eenvoud: De procedure is relatief eenvoudig, vooral voor “lege” rechtspersonen zonder activa of lopende verplichtingen. Een ontbindingsbesluit en registratie bij de KvK volstaan;

Voorkomen van verdere schulden: Door snel te handelen kan een turboliquidatie voorkomen dat schulden verder oplopen, bijvoorbeeld door lopende huur- of arbeidscontracten, of een faillissement met bijbehorende kosten.

 

Nadelen van turboliquidatie ten opzichte van gewone liquidatie:

 

Strengere voorwaarden: Een turboliquidatie is alleen mogelijk als er geen baten zijn. Zelfs een kleine bate, zoals een vrijwel lege bankrekening of een potentiële vordering, maakt de procedure onmogelijk. Bij een gewone ontbinding kunnen baten worden vereffend en verdeeld onder schuldeisers;

Risico op bestuurdersaansprakelijkheid: Als achteraf blijkt dat er toch baten waren of dat de turboliquidatie onjuist is uitgevoerd (bijvoorbeeld door selectieve betalingen), kunnen bestuurders persoonlijk aansprakelijk worden gesteld. Bij een gewone liquidatie is dit risico kleiner, omdat de vereffening transparanter en gereguleerd is;

Beperkte rechtsbescherming voor schuldeisers: Schuldeisers hebben bij een turboliquidatie minder mogelijkheden om hun vorderingen te verhalen, vooral als zij niet tijdig worden geïnformeerd. De nieuwe wet probeert dit te verbeteren, maar schuldeisers blijven kwetsbaarder dan bij een gewone liquidatie, waar zij bezwaar kunnen maken;

Nieuwe administratieve lasten: De Tijdelijke Wet Transparantie Turboliquidatie introduceert extra verplichtingen, zoals het deponeren van financiële stukken en het informeren van schuldeisers. Dit maakt de procedure minder eenvoudig en goedkoop dan voorheen, waardoor het verschil met een gewone liquidatie kleiner wordt;

Risico op heropening of faillissement: Als een schuldeiser aantoont dat er ten tijde van de turboliquidatie baten waren, kan de vereffening worden heropend of het faillissement worden aangevraagd. Dit kan leiden tot extra kosten en aansprakelijkheid voor bestuurders. Bij een gewone liquidatie is dit risico minimaal, omdat de vereffening al heeft plaatsgevonden.

 

Praktische implicaties en aanbevelingen

 

De nieuwe wetgeving maakt turboliquidaties transparanter, maar ook complexer en riskanter voor bestuurders. Ondernemers die overwegen hun rechtspersoon te ontbinden, moeten zorgvuldig afwegen of een turboliquidatie de beste keuze is. Enkele aanbevelingen:

 

  • Controleer de aanwezigheid van baten: Laat een accountant of jurist nagaan of er werkelijk geen baten zijn, inclusief potentiële vorderingen of tegoeden. Een foutieve aanname kan leiden tot aansprakelijkheid;
  • Beëindig lopende verplichtingen: Zorg dat huur-, arbeids- of andere overeenkomsten correct zijn opgezegd om persoonlijke aansprakelijkheid te vermijden;
  • Voldoe aan de nieuwe verplichtingen: Deponeer de vereiste documenten tijdig en informeer schuldeisers schriftelijk om sancties te voorkomen;
  • Overweeg alternatieven: Als er veel schulden zijn, kan een faillissementsaanvraag beter zijn. Een curator handelt dan de afwikkeling professioneel af, wat risico’s voor bestuurders vermindert;
  • Raadpleeg experts: Schakel een jurist, accountant of fiscaal adviseur in om de procedure correct uit te voeren en risico’s te minimaliseren.

 

Conclusie

 

De Tijdelijke Wet Transparantie Turboliquidatie, in werking sinds 15 november 2023, heeft de turboliquidatie minder eenvoudig gemaakt door nieuwe deponerings- en bekendmakingsverplichtingen en strengere sancties. Hoewel de turboliquidatie nog steeds voordelen biedt, zoals snelheid en lagere kosten, wegen de risico’s – zoals bestuurdersaansprakelijkheid en de mogelijkheid van heropening – zwaarder dan bij een gewone liquidatie. Ondernemers moeten daarom zorgvuldig de financiële situatie van hun rechtspersoon beoordelen en professioneel advies inwinnen om de juiste procedure te kiezen. De nieuwe regels beschermen schuldeisers beter, maar maken de turboliquidatie minder “turbo” dan voorheen, waardoor het verschil met een gewone liquidatie kleiner is geworden.

De wet is tijdelijk en vervalt op 15 november 2025. Het is nog onduidelijk of de wet permanent wordt, wordt aangepast of wordt geschrapt.

 

De Wet Vereenvoudiging en Modernisering Bewijsrecht: Een stap voorwaarts of een gemiste kans?

De Wet Vereenvoudiging en Modernisering Bewijsrecht: Een stap voorwaarts of een gemiste kans?

 

Op 1 januari 2025 trad de Wet Vereenvoudiging en Modernisering Bewijsrecht in werking. Een wijziging in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering die de manier waarop bewijs in civiele procedures wordt verzameld en beoordeeld drastisch verandert. Maar is deze wet echt een verbetering, of zijn er onderliggende problemen die de effectiviteit ervan kunnen ondermijnen?

 

De belofte van vereenvoudiging

 

De primaire intentie van deze wet is om het bewijsrecht te vereenvoudigen en te moderniseren, met als doel de procedures efficiënter en effectiever te maken. Dit betekent onder andere dat voorafgaand aan een procedure de mogelijkheden voor informatievergaring uitgebreid worden. Partijen kunnen nu in één verzoek verschillende bewijsverrichtingen aanvragen, zoals een getuigenverhoor in combinatie met een deskundigenbericht of inzage in gegevens. Dit zou moeten leiden tot een snellere en meer geïnformeerde besluitvorming door de rechtbanken.

 

Verder wordt de mogelijkheid om door een gerechtsdeurwaarder beslag te laten leggen op bewijsmateriaal in de wet vastgelegd. Een gerechtsdeurwaarder kan ook een bepaalde feitelijke toestand objectief beschrijven in een proces-verbaal van constateringen. Dit levert voortaan dwingend bewijs voor de rechter op.

 

Een ander belangrijk aspect is de verduidelijking van de rol van de rechter. De rechter krijgt meer ruimte om actief deel te nemen aan het proces van waarheidsvinding, door bijvoorbeeld vragen te stellen en inlichtingen in te winnen, wat de ‘lijdelijke’ rol van de rechter die tot nu toe bestond, aanzienlijk vermindert. Dit kan de rechtspraak meer dynamisch maken, aangezien de rechter nu ook buiten de door partijen gestelde grenzen van het debat kan treden als dat nodig is voor een juiste beoordeling.

 

Enkele kritische kanttekeningen

 

Ondanks deze beloften, zijn er ook zorgen. Een van de belangrijkste kritieken is dat de wet, hoewel ze als modernisering wordt gepresenteerd, in wezen een codificatie is van wat al in de praktijk gebeurde. De veranderingen lijken meer op een erkenning van de status quo dan op een radicale hervorming. Dit roept de vraag op of de wet echt een substantiële verbetering biedt, of dat het meer een formalisering is van bestaande praktijken.

 

Bovendien heeft de wet de mogelijkheid geïntroduceerd om ‘conservatoir bewijsbeslag’ te leggen, wat nuttig kan zijn voor het veiligstellen van bewijsmateriaal, maar ook de deur kan openen voor strategisch procederen. Dit kan leiden tot een situatie waarin partijen beslag leggen op bewijs om de andere partij te hinderen of om informatie te verkrijgen zonder dat er een gerechtelijke uitspraak nodig is.

Nieuwe Wet aanpassing geschillenregeling en enquêteprocedure

Inleiding

De wet aanpassing geschillenregeling en verduidelijking ontvankelijkheidseisen enquêteprocedure (Wagevoe) is op 1 januari 2025 in werking getreden en brengt verschillende wijzigingen aan in de Nederlandse wetgeving voor geschillen- en enquêteprocedures binnen vennootschappen. Hieronder volgt een overzicht van de belangrijkste aspecten van de Wet Wagevoe en haar gevolgen.

Belangrijkste wijzigingen

1. Eén gespecialiseerde rechter

De Wagevoe voert een procedurele wijziging in waarbij de geschillenregeling volledig bij de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam wordt ondergebracht. Dit betekent dat er geen hoger beroep meer mogelijk is bij de rechtbank, waardoor de procedure efficiënter en sneller wordt.

2. Uitbreiding toepassingsbereik geschillenregeling

De wet verruimt het toepassingsbereik van de geschillenregeling naar alle niet-beursgenoteerde B.V.’s en N.V.’s. Dit betekent dat meer vennootschappen gebruik kunnen maken van deze procedure om aandeelhoudersgeschillen op te lossen.

3. Vergroting van de gronden voor uitstoting

Een significante aanpassing is dat de Wagevoe het hoedanigheidscriterium voor uitstoting van een aandeelhouder loslaat. Nu kunnen ook gedragingen buiten de hoedanigheid van aandeelhouder relevant zijn voor een uitstotingsprocedure, mits deze gedragingen de vennootschap schaden.

4. Certificaathouders

Certificaathouders krijgen onder de Wagevoe toegang tot de geschillenregeling voor verzoeken tot uittreding of vriendelijke uittreding, vergelijkbaar met de rechten van aandeelhouders. Dit is een verruiming van de mogelijkheden voor certificaathouders, vooral in situaties waar certificaten met medewerking van de vennootschap zijn uitgegeven.

5. Aanpassing ontvankelijkheidseisen enquêteprocedure

Voor beursvennootschappen met een geplaatst kapitaal onder de €22,5 miljoen worden de ontvankelijkheidseisen voor het starten van een enquêteprocedure aangepast, waardoor deze vennootschappen beter toegankelijk worden voor kleinere aandeelhouders of certificaathouders.

Gevolgen van de inwerkingtreding

  • Versnelling en efficiëntie van juridische procedures: Door de centralisatie bij de Ondernemingskamer en het verminderen van procedurestappen wordt verwacht dat geschillen sneller en effectiever worden opgelost, wat de rechtspraak ten goede komt.
  • Verbeterde bescherming van minderheidsaandeelhouders en certificaathouders: De uitbreiding van de geschillenregeling naar certificaathouders en de aanpassing van de uitstotingsgronden zorgen voor meer mogelijkheden om de rechten van minderheidsaandeelhouders en certificaathouders te beschermen.
  • Complexiteit en juridische voorbereiding: Bedrijven en juridische adviseurs zullen zich goed moeten voorbereiden op de nieuwe wetgeving, aangezien de procedures en criteria voor geschillen en enquêtes veranderen. Dit kan leiden tot meer juridische werkzaamheden om te voldoen aan de nieuwe eisen.
  • Mogelijke toename van geschillen: De verruiming van de procedurele mogelijkheden zou kunnen leiden tot een toename van het aantal geschillen vanwege de toegankelijkheid en efficiëntie van de nieuwe regeling.

Conclusie

De Wagevoe biedt derhalve een modernisering van genoemde procedures om geschillen binnen vennootschappen op te lossen en verhoogt de toegankelijkheid voor partijen die eerder beperkte mogelijkheden hadden om hun rechten te doen gelden.

De EU Desinformatiewetgeving onder de Loep

Inleiding

De Europese Unie heeft de afgelopen jaren steeds meer stappen ondernomen om de verspreiding van desinformatie te bestrijden door middel van wetgeving en richtlijnen. De zogenaamde ‘Digital Services Act’ (DSA) en de aangescherpte Praktijkcode inzake Desinformatie zijn twee van de belangrijkste instrumenten in deze strijd. Hoewel deze initiatieven met de beste bedoelingen zijn ingevoerd, roepen ze ook tal van kritische vragen en bezwaren op.

De Digital Services Act: Een Dubbelzinnige Beschermer?

De DSA heeft als doel om onlineplatforms verantwoordelijk te houden voor de inhoud die op hun diensten wordt geplaatst, met name door de verspreiding van desinformatie te beperken. Echter, de wet stelt dat platforms verplicht zijn om systemische risico’s te verminderen, maar wie bepaalt wat precies onder ‘desinformatie’ valt?

Kritiekpunten:

  • Vrijheid van Meningsuiting: Er is een voortdurende discussie over waar de grens ligt tussen desinformatie en legitieme meningsuiting. Kritische stemmen waarschuwen dat de DSA de vrijheid van meningsuiting kan beperken door platforms aan te moedigen om te veel terughoudend te zijn met content, uit angst voor zware boetes.
  • Subjectiviteit: De definitie van wat desinformatie is, kan subjectief zijn. Dit geeft platforms en mogelijke toezichthouders een aanzienlijke macht om te bepalen wat waar of onwaar is, wat de weg kan vrijmaken voor censuur.
  • Transparantie en Verantwoordelijkheid: Terwijl de DSA transparantie van platforms eist, is er kritiek dat de handhaving van de wet zelf niet transparant genoeg is. Wie controleert de controleurs, en hoe kunnen burgers zeker zijn dat hun rechten beschermd worden?

De Praktijkcode inzake Desinformatie: Goede Intenties, Maar…

De Praktijkcode tegen Desinformatie, die in 2018 werd geïntroduceerd en later verscherpt, is een vrijwillige zelfreguleringsinstrument dat grote technologiebedrijven zoals Google en Meta hebben ondertekend. De code beoogt de transparantie te vergroten en de verantwoordelijkheid van platforms te benadrukken in de strijd tegen desinformatie.

Kritische Observaties:

  • Vrijwilligheid versus Verplichting: Hoewel de code nu verplicht wordt voor Very Large Online Platforms (VLOPs), blijft de vraag of zelfregulering voldoende is om een complex probleem als desinformatie aan te pakken. De vrijwillige basis kan leiden tot een patchwork van implementatie zonder eenduidige standaarden.
  • Effectiviteit en Meetbaarheid: Het is moeilijk om de effectiviteit van de code te meten. Wat betekent succes in de strijd tegen desinformatie? Hoe wordt de impact van deze maatregelen gekwantificeerd zonder de democratische waarden zoals vrijheid van informatie en diversiteit van meningen te schaden?
  • Algoritmische Beïnvloeding: De code adresseert niet volledig hoe algoritmes kunnen bijdragen aan de verspreiding van desinformatie. Door de nadruk te leggen op contentmoderatie, wordt de rol van aanbevelingsalgoritmes, die vaak op winstmaximalisatie gericht zijn, soms over het hoofd gezien.

Conclusie

De EU’s benadering van desinformatie door middel van wetgeving en codes van praktijk toont een nobel streven om de integriteit van informatie in de digitale ruimte te waarborgen. Echter, de implementatie roept vragen op over de balans tussen bescherming tegen desinformatie en het behoud van democratische waarden. De EU moet blijven evalueren en aanpassen om ervoor te zorgen dat deze wetten niet alleen effectief zijn maar ook respectvol naar de fundamentele rechten van haar burgers. De uitdaging ligt in het creëren van een ecosysteem waar informatie vrij kan stromen, maar waar kwaadwillige desinformatie effectief wordt tegengegaan zonder de vrijheid van meningsuiting te verstikken.

Nieuwe Wetgeving voor het Non-Concurrentiebeding in Nederland

Inleiding

Het Nederlandse arbeidsrecht staat aan de vooravond van een belangrijke hervorming met betrekking tot het non-concurrentiebeding. Deze veranderingen zijn gericht op het moderniseren van de regels om een betere balans te vinden tussen de belangen van werkgevers en de vrijheid van werknemers om van baan te wisselen. Dit artikel biedt een overzicht van de voorgenomen wijzigingen, de achtergrond ervan en de potentiële impact op zowel werkgevers als werknemers.

Achtergrond:

Het non-concurrentiebeding is een clausule in een arbeidsovereenkomst waarbij de werknemer wordt verboden om na het einde van zijn contract soortgelijke werkzaamheden uit te oefenen bij een concurrerende werkgever of als zelfstandig ondernemer. Hoewel bedoeld om bedrijfsgeheimen en klantenrelaties te beschermen, is er in de praktijk vaak kritiek op het gebruik hiervan. Onderzoek heeft aangetoond dat veel werkgevers dit beding routinematig opnemen in arbeidsovereenkomsten, zonder dat er een substantiële reden voor is. Dit beperkt de mobiliteit van werknemers op de arbeidsmarkt en kan de economische dynamiek negatief beïnvloeden.

Voorgenomen wijzigingen:

  1. Maximale Duur:
    Het nieuwe wetsvoorstel legt een maximale duur van 12 maanden op aan het concurrentiebeding. Hierdoor wordt voorkomen dat werknemers langdurig beperkt worden in hun arbeidskeuze.
  2. Geografische Beperking:
    Werkgevers moeten duidelijk aangeven binnen welk geografisch gebied het non-concurrentiebeding van toepassing is. Dit moet specifiek en gemotiveerd zijn, zodat de werkgever niet onredelijk een groot gebied kan claimen.
  3. Motivering van Bedrijfsbelang:
    Voor alle arbeidsovereenkomsten, inclusief die voor onbepaalde tijd, moet de werkgever een zwaarwegend bedrijfsbelang motiveren voor het opnemen van een concurrentiebeding. Dit is een uitbreiding van een reeds bestaande regel voor tijdelijke contracten.
  4. Vergoeding Bij Inroeping:
    Als een werkgever een beroep doet op het concurrentiebeding, moet hij een vergoeding betalen aan de werknemer. Deze is vastgesteld op 50% van het laatstverdiende maandloon per maand dat het concurrentiebeding van kracht is. Dit dient als een economische prikkel om het beding alleen te gebruiken indien strikt noodzakelijk.

Impact op de Arbeidsmarkt

Deze wijzigingen zijn bedoeld om de arbeidsmarkt flexibeler te maken. Voor werknemers betekent dit meer vrijheid om van baan te wisselen zonder door langdurige of onredelijk ruime concurrentiebedingen te worden beperkt. Werkgevers worden aangemoedigd om bewuster om te gaan met het opnemen van concurrentiebedingen; het wordt nu een instrument dat alleen moet worden ingezet waar het echt nodig is voor de bescherming van specifieke bedrijfsbelangen.

Reacties en Verwachtingen

  • Werkgeversorganisaties: Sommige werkgevers maken zich zorgen dat de nieuwe regels hen te veel beperken in hun mogelijkheid om bedrijfsbelangen te beschermen. Er wordt gevraagd om flexibiliteit in specifieke gevallen waar een langere of bredere bescherming gerechtvaardigd is.
  • Werknemersorganisaties: Deze zijn overwegend positief over de hervormingen, aangezien ze de werknemersmobiliteit bevorderen en het grondrecht op vrije arbeidskeuze versterken.
  • Juridische Adviseurs: Er wordt verwacht dat deze wijzigingen zullen leiden tot een betere voorbereiding en onderhandeling van arbeidsovereenkomsten, met meer specifieke en gemotiveerde bedingen.

Conclusie

De voorgenomen wetgeving rondom het non-concurrentiebeding in Nederland weerspiegelt een verschuiving naar een meer gebalanceerde benadering van arbeidsrelaties. Het doel is om werkgevers te beschermen zonder werknemers onnodig te belemmeren. De uiteindelijke effecten op de arbeidsmarkt zullen afhangen van hoe deze regels in de praktijk worden geïmplementeerd en hoe werkgevers en werknemers hierop reageren. Het is duidelijk dat deze wijziging een stap voorwaarts is in het creëren van een meer dynamische en rechtvaardige arbeidsmarkt.

 

© 2026 Osnabrugge Advocatuur & Advies